Familie Massier

De dynastie van de massierfamilie als erkende en gewaardeerde pottenbakkers gaat terug tot de 18e eeuw. De Pater Familias Pierre Massier(1707 - 1748) begon als "maître potier à terre" in Vallauris.
In het midden der 19e eeuw was Vallauris zeer bekend om zijn keramisch vaatwerk. Dankzij de samenstelling van de in de nabijheid gedolven klei, "gedoogt hoge temperaturen en geeft geen smaak af", werd Vallauris de Provençaalse hoofdstad der kookpotten, de marmietenstad bij uitstek. Voor de beter gesitueerden, de bourgeoisie, vervaardigde men serviezen à la Louis XV. Als erfgenaam van deze traditie, waarvan Jacques (1806 -1871) en zijn broer Jérôme Massier (1820 - 1909) de koplopers zijn geweest, ging het atelier Massier een stapje verder en maakte sierstenen, kachels, schoorsteenmantels en tuinbanken om uiteindelijk het artistieke keramiek te omhelzen. Vooral de zonen van Jacques, Delphin (1836 - 1907) en Clément (1844 - 1917) en hun neef Jean-Baptiste, bijgenaamd Jérôme fils (1850 - 1916), hebben de naam Massier tot op eenzame hoogte gebracht.Alle drie begonnen zij geheel zelfstandig. Delphin en Jérôme bleven in Vallauris, Clément, de meest commerciële, pakte zijn biezen en vertrok naar Golfe-Juan. Daar betrok hij zijn cliëntèle uit Cannes, Antibes en Nice. Door de gemakkelijke nabijheid van spoorwegen kon hij zijn objecten het hele land door sturen. Hij trouwde Marie Dewick, een schotse schone maar ook een handige meid, want zij haalde met zwier de zeer gegoede Engelse toerist binnen, die de Côte d'Azur als pied-à-terre beschouwde. Het ging Clément dus zeer voor de wind, maar zeker niet in het minst door zijn weergaloze artisticiteit en vakmanschap. Hij gebruikte Lusterglazuur van buitengewone schoonheid.De techniek van dit glazuur gaat waarschijnlijk terug tot het Irak van de 9e eeuw voor Christus. Het hergebruik van oude technieken was kenmerkend voor het eind van de 19e eeuw, dus evenzo de herontdekking van het lusterglazuur.




Clément Massier

Het opgloeien van de paarlemoeren kleuren, het mysterie van het metaalglazuur, waar een raadselachtig vuur in gevangen zit, boeiden vele keramisten. Maar de meesters in de symbiose van luster en het bijna mystieke opdoemen van organische vormen zijn bij uitstek Clément Massier uit Golfe-Juan en de Hongaar Vilmos Zsolnay uit Pécs.

Intussen deden Delphin en Jérôme fils het ook lang niet slecht. Hun fabrieken groeiden gestaag, hun bekendheid navenant. In tegenstelling tot broer en neef Clément was hun belangstelling niet hoofdzakelijk gericht op lusterglazuur. Incidenteel maakten zij er gebruik van, maar hun grote liefde lag bij: Majolica, een wat verwarrend woord. Via Italië (het betekend letterlijk Mallorca en stond voor aardewerk dat van Spanje via Mallorca naar Italië kwam) werd het Frankrijk binnengesmokkeld. Majolica staat voor aardewerk met een tinglazuur laag. Men brengt hierop een nieuwe laag van metaaloxyden in polychrome patronen aan. Daarna wordt het opnieuw gebakken. Het uiterlijk van het object is glasachtig, de kleuren helder, maar lijken doorschijnend.




Delphin

En hier lag de interesse ven Delphin en Jérôme fils. Ze maakten de schitterendste vazen, piëdestals en bloempotten, veelal met bloemen, vlinders en vogels in een uitbundige art nouveau stijl.
De beide broers en hun neef wonnen vele prijzen op nationale en internationale tentoonstellingen. Hun werk is goed vertegenwoordigd in het Musée Magnelli, het keramiekmuseum in Vallauris. Een bezoek meer dan waard.

 Site Meter